Had mogelijk misschien een ietsepietsie meer cowbell kunnen gebruiken.

Dat was de single-versie, die misschien niet zo duidelijk maakt waarom Blue Öyster Cult met reden een Heavy Metal Ümlaut draagt. De groep zag zichzelf voordien nochtans als het Amerikaanse antwoord op Black Sabbath, twijfelend tussen prog rock en hard rock. De 2 minuten langere versie vanop de LP, met gitaarsolo, verschaft daarin al iets meer klaarheid:

Of de B-kant, daar hoor je de oorsprong van de groep ook beter:

All our times have come
Here but now they’re gone
Seasons don’t fear the reaper
Nor do the wind, the sun or the rain
We can be like they are
Come on, baby (don’t fear the reaper)
Baby, take my hand (don’t fear the reaper)
We’ll be able to fly (don’t fear the reaper)
Baby, I’m your man
La, la, la, la, la

Heb geen schrik van de Man met de Zeis, een vrolijke boodschap is het niet. Donald “Buck Dharma” Roeser, die zanger van Blue Öyster Cult en songschrijver van deze song, zag het eerder als een ode aan “eeuwige liefde” die zelfs de grenzen van de dood kan overstijgen.
Door stukjes tekst als “Romeo and Juliet are together in eternity” werd vaak misverstaan dat het lied een soort ode aan zelfmoord zou zijn, maar dat was helegans niet de bedoeling:
I felt that I had just achieved some kind of resonance with the psychology of people when I came up with that, I was actually kind of appalled when I first realized that some people were seeing it as an advertisement for suicide or something that was not my intention at all. It is, like, not to be afraid of [death] (as opposed to actively bring it about). It’s basically a love song where the love transcends the actual physical existence of the partners.

Dankzij de song werd “Agents of Fortune” met voorsprong de bestverkopende Öyster-LP (het was hun vierde). Nadien gingen ze wat te nadrukkelijk op zoek naar een opvolger, hetgeen hun een aantal jaar niet zo goed bekwam.
De single zelf werd 12 in de Billboard top 100, 16 in de UK, zelfs niet genoteerd bij ons, al vond Rolling Stone het in de eindejaarslijstjes van 1976 de beste song van dat jaar.

De song heeft dubbele eeuwigheidswaarde op het scrabble-bord der geschiedenis van de populaire cultuur omdat ‘ie naast zijn muzikale kwaliteiten ook nog een tweede leven kreeg als een soort meme avant-la-lettre: de sketch “More Cowbell” met WIll Ferrell en Christopher Walken in Saturday Night Live in 2000:

Albert Bouchard, destijds de drummer, percussionist en koeiebel-speler, vertelt hoe de sketch van Will Ferrell nog niet eens zo ver bezijden de waargebeurde feiten zat, al was de cowbell in Don’t Fear the Reaper feitelijk vrij discreet op de achtergrond:

De band zag er ook de humor van in. Buck Dharma: “I must have watched it 35 times already, and it’s still funny to me. In the case of Saturday Night Live, they sort of savaged some of the artists that they did sketches on. I thought they treated us pretty kind. We’ve long since made our peace with the humor of the cowbell sketch. I’m just glad it didn’t kill the original meaning of the song, which it didn’t. So it’s all good.

Coverversies van deze song te over en te krijg: H.I.M., The Goo Goo Dolls, Heaven 17, Apollo 440, The Beautiful South… Kende ik niet, maar blijkbaar brachten twee persoonlijke helden van verdacht allooi, Lydia Lunch en Clint Ruin (aka Foetus, Jim Thirlwell…), in 1991 gezamelijk een heerlijk chaotische versie van Don’t Fear the Reaper: