Het eerste commercieel succes van l’homme à tête de chou, dubbelzinnige chachacha uit de soundtrack voor de gelijknamige film.

Na een initiatie in het alcoholisme tijdens de legerdienst, een vernield carrière als schilder en de pijnlijke vaststelling dat hij geen talent had als jazzmuzikant, bleek hij na het zien van Boris Vian wel het talent te hebben om onbeschaamde chansons te schrijven.

In 1958 begon hij zo met “le poinçonneur des lilas”, over zijn geestdodend jobke als controleur van tickets bij de Métro (j’fais des trous, des p’tits trous, encore des p’tits trous)

Dat werd wel opgepikt, maar wel “une échec commercial”. Ook zijn volgende 3 E.P.’s en 1e 2 LP’s geraakte hij aan de straatstenen niet kwijt. Op tour wordt hij uitgefloten en zijn grote voorbeeld (en voorvechter) Boris Vian sterft. En de Yéyé (rock) verdringt het chanson.

Gelukkig was er de (dan boomende) franse cinema: zijn “karakterhoofd” wordt gevraagd voor enkele kleine rollen (zo ontmoet hij Brigitte Bardot, later een van zijn affaires) en kan hij ook enkele soundtracks maken, beginnend met L’eau à la bouche.

Deze single verkocht 100.000 exemplaren, 50x meer dan zijn vorige EP’s. Hij leek vertrokken. Toch zouden dan nog 5 jaren van geworstel volgen, hij had z’n “rive gauche” publiek, maar verder niks. Pas via het schrijven van songs voor anderen zou hij z’n naam definitief maken.

Lulu Gainsbourg (de zoon die Serge op op 57-jarige leeftijd in zijn relatie met model Caroline Paulus (aka Bambou) maakte) heeft er ook een (perfect vergeetbare) versie van gemaakt.

Afscheid van dit Gainsbourg-draadje neem ik in 1985 – dus ongeveer op ’t moment dat hij de Lulu uit de vorige tweet maakte, en 6 jaar voor zijn dood na een 5de hartaanval – met “l’eau à la bouche” live in Parijs: