’t Is niet omdat ge zegt een “Hemelse Pop Hit” te schrijven, dat het er dan ook automatisch een is. Maar bij The Chills was dat stukje “Dum de dum dum, Its a heavenly pop hit, If anyone wants it” geen woord gelogen.

The Chills, dat was een Nieuw-Zeelandse groep rond Martin Phillipps, die net als veel Australische collega’s uitblonken in de eighties in een mix van punk, new-wave, sixties en garagerock. Omdat ze met nog wat groepen uit hetzelfde stadje Dunedin, was er zelfs even sprake van “The Dunedin sound”, eigenlijk meer een amalgaan van groepen die elkaar goed kenden, uit dezelfde regio kwamen en meestal op het Flying Nun label hun materiaal konden uitbrengen. Een gemeenschappelijke sound was er niet echt, of het moet zijn “typically marked by the use of droning or jangling guitars, indistinct vocals and often copious quantities of reverberation.”

The Chills sprongen uit die scene dankzij het songschrijverstalent van Phillipps. Ze hadden misschien al mogen doorbreken in 1984, met het prachtige “Pink Frost”. Dat was een song die Phillipps had gemaakt in 1982 met Terry Moore en Martyn Bull, maar die laatste, drummer van de groep, stierf in 1983 aan leukemie. Dat was bijna het einde van The Chills en ze gingen een tijd verder als “Wrinkle in Time”.

The Chills wisselde in de jaren nadien vaker van bezetting dan van jas (meer dan 40 muzikanten waren ooit lid van The Chills). Die jas had hij dan ook gekregen als erfenis van Martyn Bull en hij maakte er ook een song over “I Love My Leather Jacket”.

In 1990 was muziek van Down Under in de slipstream van Crowded House, INXS en Midnight Oil “hot”, en kregen The Chills ook even een contract los bij een major platenlabel. “It was to be a brief and dysfunctional relationship, but it would at least give a platform to Submarine Bells, Phillips’ eco-influenced masterpiece. And from it came Heavenly Pop Hit, a sublime exploration of sixties and seventies ideals blessed with a chorus so clean that it seemed to herald the emergence of a songwriter to rival Neil Finn. Instead it proved to be the band’s commercial zenith, preceding an acrimonious split and life-threatening health issues for the singer (now thankfully under control), but as heavenly one hit wonders go, there’ve been few better.#

Zoals Pitchfork in 2008, bij het verschijnen van een compilatie schreef “The Chills’ Martin Phillipps was among the most idiosyncratic of the batch (New Zealand bands op het Flying Nun label, red), capable of both rousing rock and breathtaking beauty. Maybe he understood that best of all, which explains why the 1990 album Submarine Bells led with the facetiously titled “Heavenly Pop Hit”, which was certainly two of those things. As for being a hit, well, it never stood a chance. “It’s a heavenly pop hit, if anyone wants it,” Phillipps sang almost offhandedly, over music so wonderful it’s no wonder no radio station dared touch it: it would have made nearly everything else sound bad by comparison.

“Heavenly Pop Hit” is zeker de bekendste song van The Chills. Maar het “hit” gedeelte deed helaas geen recht aan de song: in Nieuw-Zeeland wel, daar werd het op nummer 2 de bestverkopende Chills-song ooit. Maar in de rest van de wereld was het eigenlijk enkel een radiohit (97ste plaats in de UK hitparade bvb).

Hoe het The Chills, eigenlijk Martin Phillips, later verging kan je in dit artikel op The Guardian nalezen, een verhaal met helaas heel wat drugs en medische problemen, en sporadische comebacks.