Tienerverdriet dat leidde tot tienergeluk (van de piepjonge zangeres). En nog een spannend raceverhaal ook.

De tienerverdriet slaat natuurlijk op de tekst van het liedje: Girl beleeft de ultieme “oh my gawd” als ze op haar eigen verjaardagsfeestje haar lief Johnny ziet vertrekken met vriendin Judy.

Lesley was amper 16 toen ze deze song opnam. Het meisje had net zanglessen genomen en kreeg de kans met producer Quincy Jones een song op te nemen. “Her music teacher made some demos that got to Quincy Jones, then a fledgling producer at Mercury Records. The man with the golden ear heard a soprano that could segue from adolescent to womanly in a single phrase and saw pretty, dimpled girl coiffed in the era’s mandatory bouffant helmet. Now he had to find a song that suited both her range and persona.” Het meisje en de jazz-muzikant/producer gingen door een doos met naar verluidt 200 demo-songs, en dit bleek het enige nummer dat ze allebei op de stapel “Maybe” stapel hadden gelegd.

Wat volgde was een schpannende om ter eerst.

De song was al in 1962 geschreven, door John Gluck, Wally Gold en Herb Weiner, met een tekst van Symour Gottlieb die het haalde uit de leefwereld van zijn eigen dochter’s “Sweet Sixteen”.
The Chiffons waren eind 1962 al de eerste om het op te nemen, maar die zagen er nog niet meteen een single in, daar was het nog maar als LP-track. Oef.

Helen Shapiro was begin 1963 de tweede. Die was van plan het als single uit te brengen – “Right from the first time we heard the song on the rough demo back in London, we thought we were going to sock them between the eyes with that one” – maar wachtte net te lang. Oef 2.

Maar daarmee was de voornaamste concurrent nog niet uit de weg. Niemand minder dan Phil Spector had namelijk ook in diezelfde doos met demo’s gegraaid en wilde het opnemen met The Crystals. Het trio songschrijvers wilde daar zelfs liefst mee in zee gaan, want Spector was een garantie op succes. Ze vroegen – om Spector niet voor het hoofd te stoten – dat Quincy Jones zijn plan het met Lesley Gore op te nemen in de schuif wilde laten. Toen Quincy Jones op 30 maart 1963 hoorde dat Spector en The Crystals het nummer daadwerkelijk hadden ingeblikt, stuurde hij diezelfde nacht nog een testpersing van hun opname naar een hoop radiostations. En die lustten het. Oef 3.

De rest is dus popgeschiedenis en in amper vier weken tijd schoot Lesley Gore naar nummer 1 in de Billboard Hot 100. De jaren daarop had ze nog enkele andere hits (vooral “You Don’t Own Me” is de moeite, daar werd ze door de Beatles van een 2de nummer 1 gehouden) maar dan ging ze met minder succes de singer-songwriter tour op. Werd in latere jaren in de US nog een bekende voorvechtster voor vrouwenrechten en de LBGT-zaak. Ze stierf in 2015 aan longkanker.

In de UK bleef het nummer trouwens steken op nummer 9, maar zou het begin jaren tachtig toch nog op nummer 1 terecht komen: in de versie van Dave Stewart (niet de Dave Stewart van Eurythmics, maar een gelijknamige mens uit de progressieve rock) met Barbara Gaskin:

Er kwam trouwens ook nog een vervolg op “It’s My Party”. Als vervolgsong van het verhaal over Johnny en Judy nam Lesley Gore immers “Judy’s Turn To Cry” op, amper 2 maanden na It’s My Party stond dat ook al in de Billboard Hot 100, op 5. Daarin vertelt ze hoe ze haar wraak kreeg op Judy door een andere jongen te kussen en zo Johnny’s jaloerse hart terug won.

Op mijn (franse) EP uit 1963 kwamen deze twee songs trouwens samen uit, en werden er nog meer hete tranen gelaten met “Cry Me A River” en “Just Let Me Cry”