You gotta watch the ones who always keep their hands clean“. Solide advies voor factcheckers door ex-Wall of Voodoo zanger Stan Ridgway.

Stan Ridgway, werd geboren in het woestijnachtige deel van California. Zijn bio vermeld trots dat zijn eerste ambitie in het leven was buikspreker te worden, dat hij de eerste keer gearresteerd werd op zijn 12 en voor het verdonkeremanen van verkeersborden en als kind absoluut een banjo wou. Kortom: een bietekwiet.

Hij richtte rond zijn twintigste een bedrijf op dat zich wou toeleggen op soundtrack voor low-budget horrorfilms, Acme Inc. Het kantoor was gelegen tegenover de Hollywood punk club The Masque en zo ontmoette Ridgway Marc Moreland en zijn broer Bruce en werd in 1977 Wall of Voodoo gevormd.

Wall of Voodoo’s music was a mix of New Wave and Ennio Morricone’s Spaghetti Western soundtracks of the 1960s. Adding to the music’s distinctiveness was percussive and textural experimentation, i.e. mixing drum machines with unconventional instruments such as pots, pans and various kitchen utensils, raw electronics with interlocking melodic figures as well as twangy spaghetti-western guitar. On top of the mix was Ridgway’s unusual vocal style and highly stylized, cinematic narratives heavily influenced by science fiction and film noir, sung from the perspective of ordinary people and characters wrestling with ironies inside the American Dream.#
Bekendste song van Wall of Voodoo het erg prettig gestoorde: “Mexican Radio”, in 1982

In 1983 hield Ridgway het echter al voor bekeken in Wall of Voodoo en ontsloeg zichzelf uit de groep: “We lost control of our own band, To the record company. Yeah, I guess we blew it big time, Business got us bent. We played a show for fourty grand, And the manager took every cent. Every goddamn cent. Yeah, things got worse, and pretty soon, It was time for me to go. I did my best to patch it up, But we were all just big assholes. So, if you wanna make a band, Get ready for a good ride. Don’t let weasels, sharks, and fiends, and creeps, Force you to comprimise. Uh-huh“. Schreef hij later in “Talkin’ Wall of Voodoo Blues Part 1

Ridgeway ging daarna solo.
Eerst via een gastbijdrage “Don’t Box Me In” op de soundtrack voor de Francis Ford Coppola film “Rumble Fish”. De (meestendeels instrumentale) score daarvan werd door Stewart Copeland, de drummer van The Police, gemaakt.

Twee jaar later met een eerste solo-plaat die hoge ogen gooide: The Big Heat. Stan Ridgway deed ongeveer alles zelf: zang, gitaar, keyboards, mondharmonica, banjo, bas en de productie. Bill Noland, die samen met hem Wall of Voodoo had verlaten werkte ook mee
Bekendste song van de LP werd in 1986 “Camouflage”, over een geflipte soldaat in de Vietnam-oorlog, maar deze titeltrack was de eerste single uit deze plaat. De song dateerde al van zijn periode bij Wall of Voodoo, want de groep speelde hem al een keer live in 1982. Deze track werd geproduced door Hugh Jones, bekend van z’n werk voor Echo & The Bunnymen, de vroege Simple Minds, The Undertones en The Sound.
Ook hier een link met film, want “The Big Heat” is een “film noir” uit 1953 door Fritz Lang. En uiteraard zit er hier ook een “Ennio Morricone influenced harmonica” in.

“The Big Heat” deed het bescheiden in de charts, 13e plaats in de Indie Chart in de UK het hoogste. Goeie song nochtans, misschien duidelijker in deze uitgeklede versie (in 2011):