Bubblegum pop uit de sixties, van al dan niet de Ohio Express

Vreemd verhaal, dat van de Ohio Express. Het eerst duikt de naam op “Beg, Borrow and Steal”, in 1967, maar exact hetzelfde nummer (trouwens erg schatplichtig aan Louie Louie) was een jaar daarvoor al eens uitgebracht als Rare Breed (en zo trouwens opgenomen op de Nuggets garagerockverzamelaar).

Dat was een trucje van producers Jerry Kasenetz en Jeffry Katz en hun “Super K Productions”. Rare Breed was een groepje anonieme muzikanten die na twee singles in onmin waren geraakt met Super K, en dus brachten de producers het nummer nog eens uit als “Ohio Express”, een naam waarop ze alle rechten bezaten.
Als Ohio Express werd “Beg Borrow and Steal” ook nog een redelijk succes, 29ste plaats in de US en 17 in Canada.

Om de zaak nog wat ingewikkelder te maken, huurden Kasenetz en Katz dan een groep in “Sir Timothy & The Royals”, om het “gezicht” te zijn van Ohio Express. Omdat die groep dan als “Ohio Express” op roadtrip ging, was ze niet beschikbaar voor opnames in de studio. En dus ging het producersduo daarvoor samenwerken met weer iemand totaal anders: Joey Levine. Die schreef en nam de volgende twee jaar 3 LP’s op die werden uitgebracht onder de groepsnaam Ohio Express, zonder dat de rondtourende groep er een noot van had ingespeeld.

Dat was eerst het geval met “Yummy Yummy Yummy”, wat een internationale hit werd voor de groep: 4de plaats in de US, 5de in de UK, 7de plaats in ons land.

En dan kwam deze “Down at Lulu’s”, volgens hetzelfde recept: een song ingezongen en geschreven door Joey Levine, maar met de gezichten van de 5 jongens van Sir Timothy & The Royals op de cover. Ook een hitje, maar toch minder groot: 33ste plaats in de US, niks in de UK of bij ons.

Na “Down at Lulu’s” en nadien nog “Chewy Chewy” en “Mercy” was Joey Levine niet meer tevreden met het geld dat hij kreeg voor z’n werk en zegde hij zijn samenwerking met Super K Productions op.
Daarop ging men op zoek naar weer andere “ghostwriters/vertolkers”, het tourende vijftal was daar nooit bij.

Zo was de Ohio Express single “Sausalito (is the Place to Go)” van eind 1969 geschreven door Graham Gouldman en ingespeeld door de vier muzikanten (Gouldman, Eric Stewart, Godley & Creme) die 3 jaar later 10cc zouden vormen.
Godley “We did a lot of tracks in a very short time – it was really like a machine. Twenty tracks in about two weeks – a lot of crap really – really shit. We used to do the voices, everything – it saved ‘em money. We even did the female backing vocals.” Creme “Singles kept coming out under strange names that had really been recorded by us. I’ve no idea how many there were, or what happened to them all.
Maar met het geld van die wegwerpsongs konden de heren wel een studio betalen, en dat werd dan weer de setting waarin het experimenterende 10cc kon gedijen.

Het fenomeen kreeg ook een naam, die werd uitgevonden door Katz en Kasanetz: Bubblegum pop. “The term .. refers to a pop subgenre, originating in the United States in the late 1960s, that evolved from garage rock, novelty songs, and the Brill Building sound, and which was also defined by its target demographic of preteens and young teenagers. Producers Jerry Kasenetz and Jeffry Katz claimed credit for coining “bubblegum”, saying that when they discussed their target audience, they decided it was “teenagers, the young kids. And at the time we used to be chewing bubblegum, and my partner and I used to look at it and laugh and say, ‘Ah, this is like bubblegum music’.” The term was then popularized by their boss, Buddah Records label executive Neil Bogart.